UCHE UCHE
OPERA NABUCCO IN LUXOR –(G)EEN RECENSIE
Aan weerszijden naast mij in het nieuwe Luxor Theater zaten vanavond stellen waarvan de ene helft door de andere was meegetoornd naar de opera. Aan de ene kant werd na de pauze gehoopt dat “nu André Rieu komt”. Zijn partner loste het nog diplomatiek op: “Ik vind je heel lief, maar dat had je toch beter niet kunnen zeggen”, niettemin een vrij dodelijke opmerking als je het mij vraagt. Het ongenoegen over de eigen misplaatstheid aan de andere kant was groter. Die zat liever bij Sparta, schatte ik in. Ik had niet gedacht het ooit te zullen zeggen, maar vanavond hadden de beide operahaters aan weerszijden gelijk. Net als de bezoeker die 25 minuten in de voorstelling (om 20.30 uur, want volgens Nederlandse traditie werd te laat begonnen) de zaal besloot te verlaten. Even wilde ik het goede voorbeeld volgen, maar besloot toch dat ik dat de beide partners die hun wederhelft hadden meegesleept nu ook weer niet gunde, evenmin als hun slachtoffers trouwens.
Het orkest maakte een ongelooflijk foutenfestival van de ouverture. Was het eigenlijke orkest ziek geworden (de halve zaal zat ook voortdurende te hoesten, dus kennelijk heerst er wat op Rotterdam-Zuid), waren gisteren de partituren verzonden aan een paar dozijn remplacanten die deze echter nog niet hadden kunnen openen omdat ze vandaag bij Kruidvat of als verkeersregelaar hadden moeten werken dan wel voor de klas hadden moeten staan? Neen, zelfs van goedwillende amateurs mag je beter verwachten. Had men wel gerepeteerd? Nee sterker nog, had dit zootje ongeregeld ooit eerder samen gespeeld? Was het een gelegenheidsorkest van slechtzienden en het licht te slecht om de partituren te kunnen zien? Niettemin klapte het publiek enthousiast (sic). En hoestte dat het een lust had.
De opkomst van Abigaille was een triomf (sic). Zij bleek in de smaak te vallen bij het Rotterdamse publiek dat kennelijk wel houdt van een goedkope bardame lookalike in laarzen met een hakje maar toch makkelijk om de hele avond op te staan en een flink stuk dijbeen. Net als Nabucco zelf draagt zij een soort Oosteuropees uniform. Gedurfd voor een (ik meen) Bulgaars gezelschap. Dat van Abigaille is rood, met een zwarte en een gele sjerp. De kleuren, dus, van de Duitse vlag. Dat moet wel een boodschap inhouden. De stem van Abigaille lijkt nog wat als ze schreeuwt. Zingen gaat haar minder af. Dat weet ze zelf ook, dus schreeuwt ze liever. Ook de andere lead roles bakken er helaas weinig van. Laat ik het vriendelijk zeggen: op de toppodia in de wereld zullen wij hen nooit terugzien. Maar het publiek blijft klappen. En hoesten. Na de eerste acte zijn de handen en kelen stuk.
De tweede acte laat ik geheel achterwege. Ik zou willen dat het gezelschap dat ook had gedaan. Er was geen hoogtepunt te bespeuren. Een dieptepunt overigens ook niet. Het was één vlakke zooi. Het modderde door, de solisten hebben maar één doel: elke avond het einde halen. De mannenstemmen van het koor bevallen echter uitstekend en vormen het enige lichtpuntje. Het mannenkoor doet denken aan de mysterieuze stemmen uit talloze kleine kerkjes die je op een kerkelijke feestdag in een stadje in de Balkan steeds van je route af lokken en steeds met moeite en voldoening daarheen doen terugkeren. Diep, melancholiek en zuiver. Maar de vrouwen (ik had “dames” geschreven, maar vond dat woord bij nader inzien niet van toepassing) zien eruit als de meisjes van de Bulgaarse suikerwerkfabriek. Waarvan de meeste met hun worstevingertjes veel te diep in de suikerpot hebben gezeten. Jaren 50 stijl. En, hoewel ik dat niet bewust heb meegemaakt, zo klinken ze ook. Maar ook voor hun klapt en hoest het publiek.
Als de dirigent na de pauze opkomt, geeft hij de concertmeesteres geen hand, terwijl zij die naar hem uitstak. Ik begrijp hem volkomen, maar dan dringt het toch tot me door dat het gewoon vergeetachtigheid is. De dirigent is alleen maar met zichzelf bezig. Een ijdele Italiaan, schat ik in. Geen Bulgaar? Neen, daarvoor is hij te zelfvoldaan. Waarom zit ik er eigenlijk na de pauze nog? Ik heb bewust de keuze gemaakt te willen blijven om het slavenkoor te horen, en dus het einde te halen, want tussendoor kon ik – had ik al eerder besloten – niet weg. Welnu, ik durf de stelling aan dat als ze in de Scala 170 jaar terug het slavenkoor zo vlak, ongeïnspireerd en aarzelend hadden gezongen, Nabucco niet zo’n grote hit was geworden en deze track niet het iconische vrijheidslied dat wij nu kennen. Sterker nog: ik denk dat Italië dan dit jaar niet de 150-jarige eenheid zou hebben kunnen vieren. Maar het publiek klapt uitbundig. En, niet te vergeten, het hoest.
Het publiek zou, ben ik overtuigd, ook hebben geklapt wanneer zij hadden kunnen zien hoe een van de hoornblazers van het orkest voortdurend luchtgitaar op zijn instrument zat te spelen tijdens zijn maten rust. Ziet een dirigent dat dan niet? Vast wel. Maar deze niet. Die was alleen met zichzelf bezig. Intussen lijken de solisten op te leven. Het is de vierde en laatste acte. Die doet denken aan de buschauffeur na het passeren van de laatste grens. Het einddoel is in zicht, dus gaat de voet nog even extra omlaag. Abigaille lijkt zowaar toch te kunnen zingen, Nabucco doet zijn best. En nog voordat de laatste noot heeft geklonken, dondert het applaus en staat het publiek als één man op voor een staande ovatie. Staande ovatie? Ja, dat gebeurt alleen in Nederland. Standaard. Ze beginnen al te klappen voor Anna, twee regels eigen tekst en bij de samenzang van de koren manifest haar mond dicht. Goed gedaan, meisje. Die stilte was een hoogtepuntje.
Dan, ineens, weet ik het. Hard klappen is de enige manier die het publiek kent om het eigen gehoest nog een beetje te overstemmen.
Ik ben bij uitvoeringen van Nabucco geweest waarin, na aandringen van de zaal, het slavenkoor nog een keer als toegift werd gezongen. Vanavond was ik bang dat het gezelschap, gezien het overmatige applaus van het onervaren operapubliek, hetzelfde zou willen doen. Toen dat achterwege bleef (maar er worden wel overdreven overwinningsgebaren door de solisten gemaakt, alsof ze zelf in hun triomf geloofden), kon ik toch nog opgelucht naar huis.
